Groep Nu en Henry de Wolff

Probeersel in verband met het vernieuwde Volkskrantblog.

Vroeger probeerde ik wel eens wat pagina’s uit mijn roman -met 1001 Groningers- in een blog te zetten, maar dan was dan de hele compositie weg en alles werd vreemd aanelkaar gebakken.

Kortom; teveel werk om een heel boek weer opnieuw te componeren.

Als het lukt ga ik misschien wel een nieuw volkskrantblog aanmaken en daar mijn gehele roman op plaatsen.

                                                      Hoofdstuk 1

  Ergens in de stad Groningen…

  Het was middernacht. Pieter strompelde zijn slaapkamer uit en ging naar de keuken. Alles waar alcohol in zat was goed. Pieter Duijser voelde een dreun van verrassing, van slaap tot slaap toen hij Agnes van Rijen voor zich zag. Agnes was niet gróót, maar de massa van haar aanwezigheid werd spectaculair vermeerderd door het late tijdstip. En door het ongetrouwd zijn, en door andere dingen. Pieter keek haar aan met zijn ontrouwe ogen; haar bloedrode haar was omhoog en naar achteren gekamd; haar gezicht was vochtig van de half opgenomen nachtcrème en met een schok van ontzetting besefte Pieter wat er met haar gebeurd was, wat ze had afgedwongen; Agnes was volwassen geworden. En Pieter nog steeds niet. Zijn werk getuigde van puberaliteit. Pieter Duyser volgde het patroon van zijn generatie en hij zou er tot zijn dood puberaal uitzien. Wel slechter en ouder natuurlijk, maar toch onvolwassen. Kwám het door haar nieuwe baan, kwám het door de tweede minnaar die ze erbij had gekregen. Hij kon niet aanvoeren dat het onethisch of onrechtvaardig was. Want alle kunst is ontrouw. Want alle kunstenaars zijn ontrouw. Ze zag er nog steeds goed uit, ze zag er nog sexueel uit, ze zag er zelfs nog ordinair uit. Maar Agnes van Rijen had definitief de overstap gemaakt.
  ‘Ik denk dat we alles maar een op een rijtje moeten zetten,’ zei ze.
  ‘De wat?’
  ‘De afspraak!’
  Opluchting en herkenning vielen samen.
  ‘Ik weet het …’
  Pieter Duijser wist het nog. Een drukkende zomernacht die om onweer smeekte. Een late tocht van slaapkamer naar keuken, op zoek naar drank, net als nu. De overrompelende verschijning van Agnes, net als nu. De keuken leek de eerste keer donkerder en opgeruimder. Agnes zag er niet volwassen uit. En Pieter zag er minder afgepeigerd uit dan nu. Toen, een halfjaar geleden, had hij een afschuwelijke week achter de rug: de goede verkopen van Agnes, het vernielen van zijn beste doek vlák daarna, het stukslaan van zijn ezel; en nog iets.
  Hij wist het nog. Ze vroeg het wéér opnieuw. ‘Hoeveel uur per dag besteed je aan het schilderen van je schilderijen.’
  ‘Wat besteed ik?’ zei Pieter, met zijn gedachten nog niet helemaal wakker.
  ‘Je begint meestal ’s middags laat, hè? Behalve in het weekend. Hoeveel gemiddeld? Twéé, drie uur?’
  Pieter wist waar hem dit in de verte aan denken deed: geïnterviewd worden. Daar zat ze aan de andere kant van de tafel, met haar pen en papier en haar volwassenheid. Ze zou hem al gauw vragen of hij zijn kunstwerken ontleende aan de smeltkroes van alcoholistische verbeelding, en hoe hij zijn onderwerpen en thema’s koos, en of hij wel de goede software gebruikte. Nou ja, misschien; maar eerst vroeg ze.
  ‘Hoeveel heb je er dit laatste halfjaar mee verdiend?’
  Pieter Duijser ging rechtop zitten. Hij wilde het rechtop ondergaan. Terwijl Agnes in eentonige volwassen zinnen zijn financiële situatie samenvatte, staarde Pieter naar het tafelblad en dacht hij aan de eerste keer dat hij haar gezien had: achter een tafelblad in de Bibliotheek op de Vismarkt, geld tellend in een literaire omgeving.
  ‘Goed,’ zei ze. Wanneer heb je eigenlijk daadwerkelijk voor het laatst een geldelijke beloning ontvangen voor je werk.’
  ‘Twee jaar geleden. Dus ik moet er máár mee stoppen, hè.’
  ‘Inderdaad.’
  ‘Ik kan niet stoppen.’
  ‘Waarom niet.’
  ‘Omdat …’
Omdat Pieter dan zou worden opgescheept met onvertaalbare ervaringen. Omdat hij dan zou worden opgescheept met het leven, net als Jeroen.
  ‘Omdat ik dan alleen nog maar zoiets als dit zou hebben. De keuken, afwas, wasmand met onderbroeken, beha’s, boodschappentas, borden en lepels en place-mats, de rode kater die gevoerd wilde worden, en de halve banaan in cellofaan.’
  Dat alles werd het zinnebeeld van wat hij bedoelde; het dagelijkse leven.
  En dat waren zware woorden tegen een volwassen vrouw -tegen vrouwen die het dagelijkse leven droegen en krijsend ter wereld wilden brengen en kunst kon daar nooit echt voor wijken.
  Haar borsten, haar ogen, haar hals -ze toonden hem zijn vergissing en zogen zich vol met dagelijkse emotie en daar had Pieter nou nèt geen zin in.
 
                                                                     ª

  Jeroen Wallaag was de derde zoon van de burgemeester in Groningen. Hij was verslaafd aan de kaartenbak van de open atelier route; dat hield in dat hij zijn leven liet leiden door een kaartenbak met kaartjes, namen en adressen van 481 kunstenaars. We vallen -zomaar- in één van de eerste dagen van zijn verslaving;
  Jeroen ontwaakte uit zijn slaap, ging op zijn rug liggen en legde zijn handen achter op z’n hoofd. Het had iets afwachtends; zijn getuur en gefrons en gepeins: als een persoon bij het zwembad in de Papiermolen, geoefend in snelle hulp. Naast hem op de grond lag zijn kaartenbak op hem te wachten als een trouwe hond. Hij bracht een gebogen arm naar zijn voorhoofd en het snuivende geluid dat hij maakte was gecompliceerd; het leek te komen uit een schilderij van Osc’art vol met stelsels uit het innerlijke lichaam en ver daarbuiten. En toen hij zuchtte hoorde je de meeuwen van de Noorderhaven door zijn longen tuimelen. Na een poosje zuchtte hij weer en draaide zich om, weg van zijn kaartenbak.
  Jeroen werd zoals altijd omstreeks 9 uur wakker. Seizoenen hadden geen invloed meer op zijn slaap. Hij voelde zich moe, maar niet door slaap tekort. Het was de moeheid van de zwaartekracht -en de kracht van de kaartenbak- die hem omlaag wilde trekken naar het middelpunt van de aarde. Uitstekend verbeeld op een kaart van Gerda Duiverman met daarop een grote bronzen bol met gelaagde openingen naar het middelpunt van de aarde.
  Zijn moeheid was blijvend; en ze zou zwaarder worden. Alleen koffie kon haar verlichten en dat dronk Jeroen met sloten vol. Zijn ogen waren nu helemaal open. Hij verkeerde in een vréselijke toestand -die van bewustzijn. Hij liet zich ’s morgens altijd uit zijn bed vallen boven op de kaartenbak om kontakt met de aarde te krijgen. Hij werd morgen negenendertig en bestudeerde kunstkaarten op professionele wijze.
  In de open keuken die hem slordig opwachtte zette Jeroen de waterkoker aan. Toen liep hij de aangrenzende gang in naar het toilet. In de gang stonden twee kasten en in één daarvan had Jeroen zijn speelgoed robot achtergelaten. Ervaring had hem geleerd dat er een troostende werking uitging van een vroeg contact met zijn plastic robotje. Het speelgoed en Jeroen leken niet erg op elkaar, er lag een wereld van verschil tussen al hun talenten en hebbelijkheden. Jeroen keek op door het dakraam; de daken van Groningen leken op deksels van oude dozen zonder inhoud. Hij aanschouwde zijn speelgoed vriend: zijn beweegbare armen, benen en hoofd werden vastgehouden door een grijze romp, en hij dacht zoals een kunstenaar zou kunnen denken: maar de materie leefde in een ander land, tegelijkertijd veilig en levensgevaarlijk, permanent bewerkt en bekeken door mens en dier. Plastiko, de speelgoedrobot bleef onbewogen in de handen van Jeroen. Een tastbaar symbool van de kunstmatige intelligentie. Plastiko leek in de handen van Jeroen op een te vroeg geboren kind -nog lang niet rijp genoeg- levend in een onderontwikkeld tijdperk, waarin de mens met zijn natuurlijke intelligentie (nog) teveel invloed had. Op het dak buiten zat een duif grijs te wezen; in tegenstelling tot de kaart met de duif van Steven P. Barnhoorn die zo kleurrijk mogelijk probeerde te zijn.
  Meestal dacht Jeroen als een kunstenaar; hij was kunstenaar als hij vuur zag en instinctief erkende hij het vuur als elementaire kracht van de natuur. Hij was kunstenaar als hij Groningers zag en het kwam nooit bij hem op dat de Groningers zó moesten zijn, het recht hadden, de plicht hadden om zó te zijn. Ook Jack Brandsma (uit de kaartenbak) voelde dat aan; zijn lamp- en stoelontwerpen moesten wel zo zijn; primair en vooral elementair.
  Auto’s ontwerpen? Een auto in de straat? Waarom? Waarom zoveel nietszeggende ontwerpen? Zó moest een kunstenaar zijn: aangevreten door ontwerpen en vormen tot aan het randje van totale verbijstering.
  Zijn kunstmatige IQ pakket begon pas goed toen Jeroen zijn koffie had opgedronken. Een uur lang werkte hij zich door het kaartenblok die hij ditmaal als wenskaarten gebruikte. Jeroen was bepaald niet een keihard werkend studiehoofd. Toch had het iets heldhaftigs dit vroege uur van arbeid, de kaart kopieën, stapels A4 ‘tjes, kunstboeken, rondgeslingerd tussen melkpakken en versleten schoenen.
  Jeroen las wat in een modern tijdschrift over kunst, waarbij Jeroen iets weg had van de eerbiedige piloot in de cockpit van een vliegtuig uit de tweede wereldoorlog; zijn klembord, zijn checklist van de gestolen schilderijen in het ruim van een vliegtuig.
  In de middag kocht Jeroen zich een tweede robotje.
  Naast elkaar op de bank keken de robotjes -Plastiko en Plustika- met toegewijde blik naar de televisie, waarop kolossale, taps toelopende, dreigend opdoemende tekenfilmrobots zich soepeltjes transformeerden tot traumahelikopters en auto’s èn raketten als symbolen in een nieuw socialisme van robotachtige apparaten;
  ‘Borgeuro bereid U voor op uw ondergang. Denk maar niet dat Parkooster U thans nog van dienst kan zijn,’ zei de tv.
  Op een stoelkussen lagen twee kaarten -van Rob Elzinga en Aafke Brouwer- en Jeroen schoof ze zorgvuldig opzij om er te gaan zitten.

  Ergens anders in de stad Groningen… (Van Brakelplein).

  Diezelfde avond was Rob Elzinga pas om 6 uur terug op het van Brakelplein. Terwijl hij binnenkwam (de voordeur leidde in drie stappen naar de zitkamer) zei een nijdige, metalen stem iets als: ‘Niets kan Borgeuro nog afhouden van zijn snode plan. Onze enige hoop is de strijd tegen Terrorton.’
  De tweelingen keken niet op van de televisie.
  ’Dag jongens.’
  Naast elkaar op de bank bleven Marinus en Augustijn met die lage, toegewijde blik naar de televisie kijken, waarin tekenfilmrobots zich soepeltjes transformeerden.
  Paul zei: ‘Hoe komen die figuren toch aan hun naam?’
  ‘Ze bedenken hun namen zelf!’ zei Marinus wijs.
  Nu kwam Aafke door de deur in haar mantelpak, met haar make-up-voor-binnenshuis. De jongens keken elkaar aan; de kamer bereidde zich voor op een machtstrijd. Rob -met scheef gekamd haar- staarde Aafke ongewoon aandachtig aan. Haar ogen gevat in gekneusde schaduwen, als bij een paard, als bij een dresseur; haar neus een artinitore kwartcirkel; haar mond groot als de vijver van het van Brakelplein maar niet zo vol. Hij bedacht dat misschien wel alle geliefde gezichten het spectrum bestreken en ver daaroverheen. Aafke staarde Rob daarentegen op haar gewone manier aan; ze keek hem aan alsof hij al jaren gek was.
  Ze verhuisden even naar de keuken. Aafke zei: ‘Heb je tien euro bij je? Heb je het schilderij àl af?’
  ‘Nee, maar ik heb wél tien euro bij me.’
  Haar borst kwam omhoog in de blouse. Ze ademde uit. ‘Jammer,’ zei ze.
  ‘Hij wilde mij tòch niet laten exposeren. Ik dacht zelfs even dat hij me een baan als taxichauffeur wilde aanbieden, speciaal voor bejaarde kunstenaars.’
  ‘Waarom kijk je zo blij, dan!’
  Rob wilde haar zoenen. Maar hij bevond zich niet in de positie om haar te zoenen. Al enige tijd niet.

                                                                   ª

  Jeroen schoor zich. Een vlieg, een Groninger vlieg vloog botsend en zacht zoemend rond in het kleine bedompte badkamertje. Groninger vliegen zijn een klasse apart -ze leven twee maanden langer dan normaal- ze zijn traag, en dik, en als het November wordt zijn het net zombies. Jeroen schoor zich. Het viel hem op, dat zijn haar, stekeliger werd, chagrijniger. Maar wacht even, dacht Jeroen; ik ben nog steeds jong. Ik krijg nog steeds puistjes, pukkels, mee-eters. Ik denk nog steeds aan mijn kaartenbak en veel aan sex. Hij staarde naar zijn eigen spiegelbeeld en Jeroen deinsde plotseling terug; alsof hij werd gestompt. Tegenover Plastiko en Plustika kon hij zich niet zo ijdel gedragen. Wat als ze plotseling om de hoek keken, en hem zo naakt voor de spiegel zagen?

  Ergens anders in de stad Groningen… (Korreweg).

  Om elf uur draaide Paul een nummer. Hij voelde zijn opwinding groeien toen de galeriehouder zelf opnam.
  ‘Hallo?’
  Paul ademde in en zei afgemeten.
  ‘Met Paul, ik zou U nog terug bellen.’
De galeriehouder zweeg een ogenblik. Toen kwamen vele elementen samen in zijn lach die gestaag aanzwol en toegeeflijk was en toch volkomen afwerend.
  ‘Paul Butzelaar!”
  ‘Ja, correct. U zou beslissen over mijn werk.’
  ‘Het pàst niet in het beleid dat we voeren,’ zei de galeriehouder gelijk.
  ‘Geeft niks, niets aan te doen,’ zei Paul.
  ‘Dáág.’
  ‘Daag.’
  Paul slikte even en bracht toen een lang bezoek aan de badkamerspiegel. Zijn geest was nog van hem en hij aanvaardde er de volle verantwoordelijkheid voor, wat die geest ook maar deed. Soms gaf hij zelfs aan dat hij op Hans Alders leek!
  De rest van de ochtend bracht Paul door met het terugbladeren van zijn documentatiemap met foto’s van zijn kunstwerken. Schuddend met het hoofd bekeek hij alles nog ‘ns goed.
  ‘Wat een ongelooflijk mooie rommel,‘ mompelde hij zachtjes.

  Alles is crisis dacht Jeroen. De hele rotzooi is een crisis. Hij dacht terug aan vroeger. Zijn vader kende het speelterrein in het plantsoen met de onbeweeglijke lucht van de zondagmorgen, de glijbaan en klimrek als reliëf in de leegte. De vaders op bankjes, of slenterend, of opgeheven turend; dit was hun wachtdienst. Ze wisselden onderling trage knikjes. Jeroen speelde met zijn broers. Het leek zich af te spelen in een doofstommentaal. Jeroen bewaarde een grappige afstand en maakte een teken: twee wijsvingers richting zijn broertjes ter verbroedering en hij voelde hoe zijn gezicht zich verbreedde ten teken van een eindeloze verdraagzaamheid die hij nu voor altijd had verloren.
  Jeroen keek op zijn zolderkamer naar twee kaartjes (die hij naast elkaar had gelegd) van Cor Aerssens en Griet schotanus.
 
  Ergens in de stad Groningen… (Prof. H.van Hoogdalemstr).

  Wacht even, het gezicht van Cor Aerssens schoot met een grauw omhoog. Jeetje daar had je die vent weer. Elke werkdag, op bepaalde tijdstippen, reed een grote vent in een grote auto met 90 kilometer per uur door de straat. Waarom had hij zo’n haast? Met wie had hij een afspraak waar hij toch te vroeg zou komen? Zijn colbert hing aan een stoelhaak: hij droeg een zwart hemd onder zijn glanzend witte overhemd. Hij had zo’n ingehouden onderlip, een lange vooruitstekende neus en zware wenkbrauwen; een nieuw soort stinkdier dat ze in één of ánder laboratorium van de RUG (afdeling medische genetica) produceerden. Cor Aerssens stond op om de man voorbij te zien scheuren; een mens dat een mens haatte. Elke dag kwam hij langs en probeerde kinderen te vermoorden.
  Toen de rust weer terug kwam in de straat, stak Cor een sigaret op. Hij bedacht een lichaamsgrote doos voor deze snelheidsmaniak. Maar néé, eigenlijk zou hij dozen moeten maken voor de auto ontwerpers en de snelle verkopers op de autoboulevard.
  Cor Aerssens. Niemand had zo’n vriendelijk gezicht, vond Griet Schotanus. Het kalende hoofd, de schelpvormige golvingen aan de zijkanten, de alles vergevende blik van zijn blauwe ogen. Cor was een bij vlagen royale Groninger die zich soms krankzinnig druk kon maken om dozen en boeken en boekendozen. Als Griet met Cor ging lunchen in een broodjeszaak, betaalde Cor alles, of hij vroeg een èxact becijferde bijdrage -dan griste hij het geld uit haar handen en leek er mee aan de haal te willen gaan. Cor praatte op een makkelijke, irrelevante toon. Merkwaardig genoeg had Griet Schotanus het gevoel dat Cor van haar hield maar niet méér dan vriendschappelijk.
  Cor had nog een hobby waarvan Griet vermoedde dat het geen zakelijke activiteit was; vervalsingen van moderne éérste drukken. Op Wolters en Noordhof liet hij op niet gangbare uren kleine maniakken toe die Van ’t Reve, Vestdijk en W.F. Hermans in elkaar flansden.
  Een verwarmd kantoor van Wolters Noordhoff op de begane grond was tevens een gemeenschappelijke ruimte: er werkten twaalf mensen waaronder Griet; ze vervaardigden kinderboeken. Griet wist niet precies hoe alles in zijn werk ging; ze werkte slechts één dag in de week. Hoe dan ook, Cor zat veilig boven op de tweede etage. Zijn werkruimte was gerieflijk, bijna smaakvol, maar zorgvuldig onluxueus en je mocht er niet roken.
  ‘Dit zou wel ‘ns een tamelijk veelbelovende dichteres kunnen zijn. Tamelijk opvallend voor een eerste bundel,’ zei Piet Beekman tegen Cor.
  ‘Geef es…! Goeie naam. Emmie Muller..? Hele goeie naam!’ zei Cor. Hij keek starend voor zich uit.
  Piet Beekman vroeg het mateloos voorzichtig;
 ‘Enhoestaathetnumetjouw..?’                                                                                                                                  
  ‘Bijna klaar.’ Maar Cor zei er niet bij -omdat mannen niet verder kunnen kijken dan hun volgende wip of ruzie- dat zijn nieuwste ook zijn laatste kon zijn. Cor keek weer starend voor zich uit; zag hoe hij zijn laatste dagen zou slijten bij Wolters en Noordhof. Dat voorgevoel werd steeds meer gewoonte, automatisme, reflex. Hij; in een bedompte literaire poel, onvoorspelbaar met zijn gunsten, ijdel, en een akelige miereneuker waar het zijn portemonnaee betrof.
  ‘Dat wist je toch al?’
  ‘We kunnen een inschrijflijst maken. Te beginnen met je vrienden en klantenkring.
  ‘Dankjewel, maar dìtmaal niet.’
  ‘Het mag het gevaar niet schuwen.’
  ‘Het moet vliegen of neerstorten.’
  Vliegen of neerstorten in wat? In het universele; boven Groningen; hóóg in de lucht.

                                                                 ª

  Jeroen baande zich een weg door de Jumbo tussen de student-achtigen, reptiel-achtigen en veertig jarigen. Dinanda Lutikhedde, kwam van rèchts met een winkelwagentje en Jeroen gaf netjes voorrang. Jeroen kende haar niet, maar kende wel haar naam uit het kaartenblok. Dinanda herkende vaag iets in Jeroen, maar had zijn naam nooit geweten. Dinanda speelde met de gedachte om een filmcamera in haar winkelwagen te leggen; lòs erin zodat botsingen, bochtenwerk en schudden er goed bij opkwamen. Jeroen dacht totaal niet aan kunst. Hij las zijn lijstje van boodschappen nog ‘ns goed na maar zijn gedachten sprongen terug naar de oude Mensa en zijn vaste tafelgenoten; Jannes van der Wal en Martin Dolfing.

  Ergens anders in de stad… (Oosterpoort-Lavermanstraat 62 B).

  Daar stond ze met lichte lipstick en lichte make up en wollen trui, en hield haar koffiemok in de kom van haar handen. Andere -werkende- vrouwen met wie Joost Doornik zijn bed had gedeeld gingen ’s avonds om een uur of tien àl naar boven om hun uiterlijk klaar te maken voor de nacht. Alian Brouwer deed alles in twintig minuten. Haar lichaam legde haar geen problemen in de weg: het makkelijk te wassen haar, de openhartige oogvelden -hoefden maar heel lichtjes aangezet te worden- de glanzende tong, de tien seconden durende lippenstift-move, het lichaam waar alle kleren van Mammamini onherkenbaar op werden. Alian werkte drie dagen per week, soms twee. Wat zij deed, in de public relations, leek Joost veel raadselachtiger dan wat híj deed in zijn verscholen atelier in de Kuipersplaats onder de schaduw van de A-kerk. Net als de uitgezette tv liet haar gezicht géén directe blikken toe, hoewel de tv bijna overal als een gek stond te schijnen en het niet erg vond als er iemand keek. Joost’s trui spande zich om zijn lichaam, terwijl hij met zijn vingertoppen vol verfsporen Alian’s trui probeerde uit te trekken; ‘Doe het gauw,’ zei Alian.

                                                                ª

  En op zolder zat Jeroen alleen, dubbel gevouwen boven een kotsemmer, nog altijd op zoek naar nieuwe associaties tussen de kaartjes, personen, en kunst. Jeroen de denker, maar niemand die dat dacht. Hij belde naar het Nieuwsblad van het Noorden voor hulp. Ze bewaarden inderdaad exemplaren van een zaterdagse editie, en het stond Jeroen vrij om dat raad te plegen of te bewonderen: máár hij mocht het niet meenemen. Ze zeiden dat hij daarvoor het beste naar het kantoor achterop het Zernike Park kon gaan -vlak naast Biblionet Groningen. Met winterjas, een kater en zijn kaartenbak, nam hij op het Zuiderdiep de metro naar Zernike park. Vijftien minuten later stond hij aan een balie bij de ingang om daar te horen dat ze nèt gesloten waren. Typisch voor Jeroen. Op de terugweg in de metro zag hij de oude Trefkoel en Jeroen dacht;
  ‘Daarachter ligt de Siriusstraat, misschien heeft Ririmasse meer succes vandaag.’   
  ‘Succes Riri.’
  Rí, Rí, Rí en krakend en kreunend vervolgde de metro zijn weg terug. De lijn was nog maar een maand oud; moest hij ingereden worden of was hij nu al oud en bejaard?

  Ergens in de stad Groningen… (Groote Markt).

  Andrew Zeegers belde aan op het stadhuis en presenteerde zich, met afgetobd gelaat en vlinderstrikje aan de bewakingscamera die zich -in haar benauwde behuizing boven de deur- beledigd voelde en met korte rukjes náár hém toedraaide. Andrew bereidde zich ook geestelijk voor. Andrew streefde naar een toestand waarin hij de ongelijkheid met de wethouder aankon. Hij voelde zich verpletterd door de omgeving. Hij leek nu op een matroos in een atoom onderzeeër. Op grote diepte, met een druk van vele miljoenen liters water, gewoon op de Grote markt in Groningen.
  Om een sterk in het oog springend voorbeeld te noemen: het gebouw zelf. Massa en ruime schoolachtige gangen. Andrew had íets met schoolgangen (een trauma?). Vijf lange jaren had hij schoolgangen schoongemaakt in het Werkmancollege aan de Sint Janstraat, één van de kosmopolitische klaar-stoom-instituten van Groningen.
  Andrew draaide zijn hoofd in de rondte om zijn nekpijn te verlichten. Het beeld van de Grote markt zonder kramen sloeg hij niet meer in zijn geheugen op. De camera bleef hem ongelovig aanstaren. Hij probeerde terug te staren, met dwaze trots.
  Eenmaal binnengelaten werd Andrew naar boven gebracht door een soort hulpkracht, een omgebouwde boer wiens steilheid van haar, strengheid van mond en zwart gewenkbrauwde verstand te kennen gaven dat Andrew wat hij verder ook mocht zijn, thans een wortel op het land was. In de hal werd hij gepasseerd door een lachende Petra Koonstra en hij dacht;
  ‘Andrew Zeegers is wéér ééns te laat zijn bed uitgekropen.’
 
                                                                   ª    

  Jeroen schudde dagelijks de kaarten van de kaartenbak, net als een spel speelkaarten. Voorop lagen nu de kaarten van Alex R. Winters en daarachter Lammert Joustra. Het kaartje van Alex verbeeldde een -bewust-knullig-getekend-interieur van een man aan een tafel; getekend en gekrast in vele waskrijt kleuren. Het interieur bestond uit chaotische vlakverdelingen, maar niet chaotisch genoeg om het abstract te maken. Het leek op een grote woonkamer, maar het kon ook -net zo goed- een kantoorruimte zijn. Jeroen bekeek nu het kaartje van Lammert met daarop een Fries veulen in boetseer was, geplaatst voor een spiegel. De foto van het echte veulen voor de spiegel was zònder hoofd, maar in de spiegel was het paard wèl met achterhoofd zichtbaar. Op de derde plek in de kaartenbak lag Dreeuwske Andreae met een zwart/wit tekening en op de vierde Hinnie Steenbruggen met kartonnen beestjes (niet de zus van Han Steenbruggen, conservator in het Groninger museum). Met z’n vieren zaten ze, zo wist Jeroen, in een complex aan de Oosterhamrikkade. Jeroen had de kaarten niet goed geschud (vond hij) en schudde ze daarom nog  maar een keer.
 
  Ergens in de stad Groningen… (BenVierdagbuurt).

  Joukje Pees moest de stofzuiger wegbrengen. Zij moest hem wegbrengen, want zelfs Peter -die, als man en zo, natuurlijk een smeerpoets was- kon zien dat de kwaliteit van het leven in de Churchillstraat zonder dat apparaat dramatisch was verslechterd. In de woonkamer wekte de pluizige aanwezigheid van stof bij haar het vermoeden dat er een stofallergie op de loer lag. Daarnaast golden nog andere overwegingen, zoals de levensbedreigende smetvrees van haar moeder.
  Toen Joukje de stofzuiger uit haar woning had gedragen en de deur uitliep, vroeg Joukje zich af of ze ooit eerder een stofzuiger voor reparatie had weg gebracht.
  ‘Had Peter H. Propstra dat wel eens gedaan,’ dacht ze hardop, ‘Of Churchill?’
  Toen Joukje de stofzuiger in de achterbak van haar auto had gelegd, was ze ervan overtuigd geraakt dat Peter en Churchill op één of ander moment in hun leven ook gedwongen waren geweest een stofzuiger weg te brengen. Zelfs Churchill -als er toen al stofzuigers waren. Joukje gunde zich een adempauze terwijl ze de post door keek van haar vriend. Peter H. Propstra stond er keurig op. Zijn post boezemde haar geen angst meer in. Peter had het érgste achter de rug. Waarom zou iemand nog bang zijn voor de post als hij kort geleden een ultimatum van zijn eigen advokaat had gekregen? Als hij, in antwoord op een verzoek om meer opdrachten, geweigerd werd, per brief, door zijn eigen kunstagent? Als zijn beide ex-vrouwen naar de rechter liepen om voorschotten op ongeschilderde doeken terug te vorderen? Maar meestal zat er alleen maar reclame in haar brievenbus.
  Een keer, op een winderige ochtend in April, toen zij op weg was naar haar ouderlijke huis aan de Oosterweg na een korte lunch met Petra Koonstra -in één of andere lunchroom- had zij op straat een stadswervelwind van reclamefolders gezien (bladachtig) en zij had gekníkt, en gedacht: Peter, zijn leven.

                                                                    ª

  De stofzuiger van Jeroen was ontworpen om zwierig mee over het tapijt te snorren. Hij was niet ontworpen om te worden meegezeuld op een natte Groningse Maandag.
  Wreed beladen fietste Jeroen voort, het apparaat op zijn bagagedrager, de slang als een sjaal om zijn nek. Jeroen’s benen trapten onregelmatig rond want de slang knéép in een adderachtige omhelzing zijn keel dicht. Hij dacht toen aan de gebogen houding (met het hoofd ver naar beneden) van Beethoven op het kaartje van Peter H. Propstra.
  Eenmaal in de winkel liet hij het gevaarte op de toonbank zien en de baliemedewerker zei:
  ‘Wat is er loos.’
  ‘Hij houdt er steeds mee op en alle opgezogen troep komt er aan de achterkant weer uit!’
  ‘Garantie!?’
  ‘Nou, néé, niet meer.’
  ‘Ik raad u aan om een nieuwe te kopen. Reparatie’s zijn meestal duurder dan een nieuwe stofzuiger.’
  ‘Tjááaaah dan,’ zuchtte Jeroen.
  Op de fiets terug reed hij bijna Gerriet Postma aan in zijn rode Porsche.

  Ergens anders in de stad Groningen… (Oranjebuurt-H. Prinsstr 22).

  Ook technisch zou het liedje van zijn zoon de toets der kritiek ruimschoots hebben doorstaan. In de drukpers ruimte, waar Henk Mual een droevige middag had door gebracht; dacht hij terug aan het liedje van zijn kleine Lu Luo en zijn vader was alles bij elkaar héél blij geweest het te horen; de eerste vijftig keer… Carla de Winter zong zulke liedjes niet en Henk stond er liever niet bij stil dat het marathon vertoon van emotie kon zijn ingegeven door angst. Hij stond er liever niet bij stil dat Lu Luo misschien dacht dat het verstand van zijn vader op de loop was. Hij had zich vele malen verontschuldigd voor zijn scheldpartij. Het enige wat zijn zoontje geantwoord had was dat we allemáál wel eens scholden. De meester op school deed dat ook wel eens.
  Henk Mual had een betrekkelijk goede dag verder. Hij had diverse monteurs gebeld en ze hadden hem binnen enkele minuten teruggebeld uit zo’n lease auto van het One Productions bedrijf. Oneindig onderweg naar het volgende pakketje.
  Het pakketje waar hij de hele dag op wachtte arriveerde pas laat in de middag. Hij had op zijn bureau ruimte vrijgemaakt voor het pakket dat een wezenlijk onderdeel van de Hazewinkel persen bevatte, maar daar lag het dan, redelijk symmetrisch, omvangrijk als een ufo op het dak van een zomerhuisje in het Stadspark. Henk had een vaag vermoeden dat hij de hele inhoud op volledigheid moest doornemen alvorens zijn dertiende kop koffie te drinken.
  Henk pulkte aan de verpakking; hij rukte aan de flappen van het karton: en wrikte uiteindelijk het onderdeel er uit. De jongens buiten op de werkplaats, buiten zijn kantoor hoorden zijn woeste kreten, maar ze sloegen er nauwelijks acht op, zo vertrouwd klonk het. Misschien kon Mual zijn balpen niet vinden of hij had weer zijn kostbare koffie omgekieperd.
  Met zorg en angst inspecteerde Henk het apparaat voor de tweede keer, zonder succes. Zijn relatie met de materiele wereld, altijd sterk, was ernstig verslechterd. Jezusmina, de domme brutaliteit van levenloze voorwerpen. Hij kon niet begrijpen wat dingen ermee opschoten met dat gedrag. Wat schoot een autodeur er mee op om jouw jas vast te klemmen? Wat schóót de jas ermee op?
  Met behulp van een kilometer touw -èn drie kilometer plakband- omwikkelde Henk het pakket voor retour. Het kon weer de deur uit. Bij een kop koffie liet hij zijn gedachten gaan over de glorieloze uitdaging van het bezorgen.

                                                                  ª

  Eenzame gestalten in een bioscoop stralen -dacht Jeroen Wallaag- intense afzondering uit van krankzinnigen of puberale gekken. Hij bedoelde? Wat zijn het dan? Kritisch turende filmliefhebbers? Klaplopers? Riepe deskundigen? De bioscoop was tegenwoordig beslist véél te duur voor rochelende zwervers. Jeroen wist (uit zijn eigen zwerfperiode), dat zij veel meer dingen nodig hadden dan een donker bezoek aan de bioscoop.
  In een volle zaal kon de identiteit van het publiek een looping maken en één wezen worden, als een stakende menigte. Maar de Camera aan de Hereweg, was voor een kwart gevuld, hier en daar wat hoofden op halzen en schouders, en de sombere muren met vloerbedekking waren er niet om op te lopen, waardoor Jeroen ook nog ging denken dat iedereen gekleurd was, of een negatief; even later verbeeldde hij zich dat alle mensen voor hem met de borst naar hem toe zaten en sommigen hadden het hoofd niet meegedraaid, als vrome Dreesmaniaanse demonen.  
  Vlak voor de pauze was het zover. Jeroen onderging het genoegen om naar het toilet te mogen. Hij ging naar een bioscooptoilet waar de geur hem deed denken aan angstige urine -in volle blazen- vlak voor het opstijgen van de grote vliegtuigen op het veel te kleine vliegveld Eelde.
  Jeroen liep door naar de ingewanden van het gebouw langs met kettingen afgesloten nooduitgangen en onder half open gebroken plafonds tot de voorlaatste deur hem met een zacht geflap, als van een inwendige darmklep, leek toe te laten en alle geluiden leek af te sluiten en dáár, onder aan een schuin aflopende gang was de ingang met het oplichtende HEREN. Jeroen liep langzaam door en probeerde opnieuw te luisteren. Het eeuwige toiletgesijpel, scherp, zuur als altijd. Traag leunde Jeroen tegen de deur. Het toilet liet hem binnen en sloot zich weer. De geuren kwamen overeen met de kaartjes van J.D van Osselen en R. Soeliman. Beeld en geur hadden zich op een vreemde manier met elkaar verbonden.
  Jeroen bevond zich tegenover rijen wastafels en rolhanddoeken aan muren, daarboven de dubbele tl buizen (allemaal zo vreselijk symmetrisch) zodat de wiskundige intuïtie eiste dat er in het midden van dit alles, spiegels moesten hangen. Jeroen liep naar een urinoir en boog zich voorover en probeerde het lipje van zijn ritssluiting te pakken te krijgen, toen een stem zei;
  ‘Wat ruikt het hier lekker!’
  En Jeroen’s geest die altijd op zoek was, greep de kans aan om het persoonlijk op te vatten, als een verwijzing naar hem zelf, de grote kenner van 481 kunstkaartjes, en niet als verwijzing naar de ongelooflijke strontlucht van verstopte toiletten. Jeroen draaide zich om. En daar stond ie weer, Ploppatou met glanzend zwart haar. Altijd pèrfect in model. Jeroen wist het nu zeker; het haar van Ploppatou groeide niet meer. Het trok zich niets aan van tijd en groei impulsen, het bleef altijd op zijn plek. Achter hem kwam zijn grote concurrent; Wim Wildeboer van de PVDA; bij hem groeide helemaal niets meer op het hoofd.
  Jeroen draaide en moest zijn lichaam terug draaien om zijn afgeweken straal weer op koers te zetten.

Dit bericht werd geplaatst in oud-vkblog. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s